Direct naar inhoud

Hoog contrast

Hoog contrast

“De individuele verantwoordelijkheid tijdens WOII moeten we nóg meer onderzoeken”

Historicus Frank Seberechts (FelixArchief) voert al 45 jaar onderzoek naar de Tweede Wereldoorlog. De afgelopen jaren werkte hij mee aan de MAS-expo ‘Stad in oorlog’, het namenonderzoek van stad Antwerpen en Antwerpen Herdenkt. Aan de vooravond van zijn pensioen analyseert Frank het historisch onderzoek naar de Tweede Wereldoorlog. Hij staat ook stil bij het belang van herdenking en schuwt daarbij de pertinente vragen niet.

Jarenlang voorzag Frank Seberechts Antwerpen Herdenkt van inhoud en ideeën. Heel wat artikels op deze website zijn van zijn hand. Zijn laatste groot historisch project was het namenonderzoek naar de Antwerpse slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Dat onderzoek vormt de basis voor het namenmonument dat over enkele jaren in Antwerpen verschijnt. Zijn pensioen betekent overigens niet dat Frank uitgeschreven is. Recent kwam een nieuw boek van hem uit, over de Organisation Todt. En we vermoeden dat het niet zijn laatste is.

“Bij elke stap die je zet heb je een keuze en een verantwoordelijkheid”, zei je in een interview met De Morgen bij de herdenking van 75 jaar bevrijding. Is de aandacht voor individuele verantwoordelijkheid een recente tendens in het historisch onderzoek naar de Tweede Wereldoorlog?
“Eigenlijk slaat die uitspraak vooral op wat er gebeurde met oorlogsmisdadigers. De aandacht daarvoor is slechts twintig, maximum dertig jaar oud. Vooral in Duitsland is men onderzoek beginnen te doen. Daaruit bleek bijvoorbeeld dat politieagenten en soldaten konden weigeren om aan Jodenrazzia’s deel te nemen. Rond de individuele verantwoordelijkheid gebeurt meer en meer onderzoek. Ik probeerde zelf die verantwoordelijkheid aan te tonen in mijn boeken over het Oostfront.”

Cover van boek 'Drang naar het Oosten'

"Ik probeerde de individuele verantwoordelijkheid aan te tonen in mijn boeken over het Oostfront.”

Wanneer begon jij onderzoek te doen naar de Tweede Wereldoorlog?
“Dat begon 45 jaar geleden met mijn licentiaatsverhandeling over de Duits-Vlaamse Arbeidsgemeenschap (DeVlag) tijdens de Tweede Wereldoorlog. DeVlag, dat is voor een stukje ook de Vlaamse beweging. En ik kom uit een familie die de Vlaamse beweging en het Vlaams-nationalisme erg belangrijk vond. Dat was eigenlijk een logische keuze voor mij.”

“De Tweede Wereldoorlog is altijd wel mijn thema geweest, in het begin vooral de Vlaams-nationalistische collaboratie, later ook andere onderwerpen. Zo deed ik, en dan komt die individuele verantwoordelijkheid weer op de proppen, onderzoek naar de ambtenarij tijdens de Tweede Wereldoorlog. Verder onderzocht ik de arrestaties van verdachten en vluchtelingen in mei 1940 door de Belgische overheid. Of de collaborateurs die na de oorlog uitweken naar Ierland, Argentinië of Spanje en daar een nieuw leven opbouwden. En ik deed natuurlijk ook onderzoek over Antwerpen: over de administratie, het bestuur en het verzet. Doorheen mijn loopbaan werkte ik bij het ADVN – archief voor nationale bewegingen, Universiteit Gent, CegeSoma, het MAS en nu dus het FelixArchief.”

“Eigenlijk heeft de collaboratie op termijn gewonnen”, zei je ook in dat interview met De Morgen. “De collaborateurs hebben na de oorlog het beeld kunnen doordrukken dat ze zelf slachtoffers waren van de Duitse manipulaties en dat ze het altijd heel idealistisch hebben bedoeld.” Hoe komt het dat historici in dat beeld zijn meegegaan?
“Dat heeft voor een groot stuk te maken met het feit dat er lange tijd weinig onderzoek werd gedaan naar de collaboratie. Het Navorsings- en Studiecentrum voor de Geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog (vandaag CegeSoma – red.) is maar opgericht in de loop van de jaren zestig en eigenlijk pas tot serieuze werking gekomen in de jaren zeventig. Dat wil zeggen dat men gedurende twintig jaar of langer het terrein vrijliet aan mensen die uit de collaboratie kwamen. De ideeën over de slachtofferrol vanuit het Vlaams-nationalisme kregen vrij spel. De echte breuk is er maar gekomen met onder meer de historicus dr. Albert De Jonghe, een eind in de jaren zeventig. Die kritische benadering werd heel moeilijk aanvaard. Het was een heel moeilijke overgangsperiode, maar ze is er gelukkig wel gekomen. De echte omslag is er maar gekomen in de jaren negentig.”

Je vertelde dat je afkomstig bent uit een Vlaams-nationalistische omgeving waar het Vlaamse bewustzijn belangrijk was. Heb jij op dat vlak een evolutie meegemaakt?
“Ja, zeker. Bij ons thuis werden de oostfronters gezien als misleide idealisten. Ergens was er ook idealisme bij die mensen, maar er was ook heel wat anders. Ik was een heel traditionele, ik zou haast zeggen: een met vlaggen zwaaiende Vlaams-nationalist. Maar dat is allemaal verdwenen. Ik heb nog wel ideeën over federalisme op Europees niveau. Maar ik zal niet meer met een Vlaamse leeuw staan zwaaien. Ik heb moeite met de Vlaamse nationale trots, zoals die ook door de Vlaamse regering wordt gepromoot. Als ik uit een ander milieu zou komen, zou ik waarschijnlijk op dezelfde manier geëvolueerd zijn. Ik ben wat bedaarder en afstandelijker geworden.”

Komt dat door de wetenschap?
“Ja, toch wel. Ook hier speelt weer de koppeling die je kan maken van onderzoek met de eigen verantwoordelijkheid en de eigen inbreng.”

parade

Vlaamse vrijwilligers van de Waffen-SS paraderen langs de Schijnpoortweg voor hun vertrek naar het Oostfront. (© Stadsarchief Antwerpen)

Zijn er terreinen in het historisch onderzoek naar de Tweede Wereldoorlog die volgens jou nog meer moeten worden ontgonnen?
“De verantwoordelijkheid van hooggeplaatste personen, zowel in de politiek als in de administratie, is nog te weinig uitgespit. Ik vraag mij wel af in hoeverre dat nog mogelijk is, in hoeverre men archieven niet heeft uitgezuiverd en bewust een aantal zaken heeft vernietigd. En wat met de verantwoordelijkheid van hooggeplaatste magistraten? Of die van de Antwerpse politiecommissaris De Potter? Ook daar gaat het weer over die individuele verantwoordelijkheid, want ook op de hogere niveaus kon je keuzes maken.”

“Als je praat over de individuele verantwoordelijkheid van de man in de straat, moet je ook kijken naar de keuzes waarvoor die werd geplaatst. Dat leerde ik van een familielid van mij. Haar vader vertrok naar Duitsland, zogezegd als vrijwillige arbeider. Zijn vader was ziek en kon niet veel meer uitrichten, terwijl er nog drie andere kinderen waren. Hij moest de kost verdienen voor dat hele gezin. In hoeverre is zo’n keuze dan vrijwillig? Zijn verhaal doet me nadenken over de verantwoordelijkheid bij de vrijwillige tewerkstelling. Over de individuele positie van een persoon is nog te weinig onderzoek gedaan.”

“Ik vraag me wel eens af hoe ik in die tijd zelf zou hebben gereageerd. Ik kan mij zo voorstellen dat ik, met de opvoeding die ik heb gekregen, als zeventien-, achttien- of negentienjarige aan het Oostfront zou verzeild zijn, eerder dan in het verzet. Hugo Schiltz en Hugo Claus stonden tijdens de oorlog ook aan de foute kant en namen daar nadien afstand van. Terecht en gelukkig. Maar dat was niet simpel op dat ogenblik.”

2 parades

Vlaamse vrijwilligers van de Waffen-SS en een korps verpleegsters paraderen over de Meir. Ze vertrekken naar het Oostfront. Familie en vrienden volgen de parade. (© Stadsarchief Antwerpen)

De jongste jaren voerde jij het onderzoek naar de namen van de Antwerpse slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Zie je dat als de kroon op jouw loopbaan als historicus?
“De kroon, dat vind ik een beetje overdreven. Maar het was voor mij wel een heel mooie afsluiting van de beroepsfase van mijn carrière. Ik werkte echt met hart en ziel aan het namenonderzoek, dat durf ik gerust te zeggen. Ik heb er enorm veel tijd in geïnvesteerd.”

“Onlangs las ik een interview van Arnon Grunberg met de Israëlische hoogleraar Nurit Peled-Elhanan. Zij doet onderzoek naar de invloed van het onderwijs op de staatsideologie. Gevraagd naar wat ze vindt over de Holocaust en de tragedie in Gaza, zegt ze dat de daders er vaak mee wegkomen, een veroordeling van iemand hier en daar niet te na gesproken. En de overheid komt ermee weg door een herdenkingsmonument op te tuigen. Dat vind ik wel een heel pessimistische visie, maar ik kan haar voor een stuk wel volgen. Er waren gelukkig wel vervolgingen na de Tweede Wereldoorlog. De grote verantwoordelijken zijn in Neurenberg bestraft of hebben zelfmoord gepleegd.” 

“De bedoeling van stad Antwerpen met het namenmonument is heel nobel. Het gaat over het herdenken van slachtoffers, maar ook over burgerschap, over democratie, over onze instellingen die we voortdurend moeten vrijwaren. We leven in een moeilijke tijd, er wordt aan al die zaken getwijfeld. Soms vraag ik mij af waar ik mee bezig ben. Dan denk ik aan mijn kinderen en kleinkinderen, voor hen wil ik een betere wereld. Het klinkt misschien wat melig, maar ik zie dat toch als een opdracht en als een houvast. Al maakt het mij er niet altijd vrolijker op.”

“Het belang van geschiedenis is immens omdat jongeren leven met ongelooflijk grote onzekerheden”, zei Herman Van Goethem in een interview met Antwerpen Herdenkt. Zie jij de geschiedenis ook als een manier om jongeren houvast te geven in deze tijd? 
“Van populaire zaken op het internet of op sociale media zal het niet komen. Er is een voortgezette inspanning nodig van historisch onderzoek en dat op een bevattelijke manier naar buiten brengen. Als ik nog twintig jaar langer leef, dan maak ik honderd jaar einde van de Tweede Wereldoorlog mee. Hoe gaan onze kinderen daar tegenover staan?” 

“Hoe moeilijk het soms is tijdens de genocide in Gaza, we moeten blijven strijden tegen het antisemitisme, dat gebruikmaakt van de twijfels die mensen hebben. We moeten blijvend aandacht hebben voor de Holocaust en het antisemitisme, zonder ze te instrumentaliseren voor andere doeleinden. Ik besef dat dat heel moeilijk is en dat het er in de toekomst niet gemakkelijker op zal worden.”

Portret van man

“De bedoeling van stad Antwerpen met het namenmonument is heel nobel. Het gaat over het herdenken van slachtoffers, maar ook over burgerschap, over democratie, over onze instellingen die we voortdurend moeten vrijwaren. We leven in een moeilijke tijd, er wordt aan al die zaken getwijfeld."

Onlangs verscheen jouw boek over Organisation Todt, de paramilitaire groepering die onder meer de Atlantikwall liet bouwen door dwangarbeiders. Waarom schreef je dit boek? 
“Bij mijn onderzoek naar de oorlogsmisdaden aan het Oostfront merkte ik dat een aantal van die daders lid was van de Organisation Todt (O.T.) of van het Schützkommando van de Organisation Todt. Op zoek naar meer informatie over die organisatie ontdekte ik tot mijn verbazing dat er in België heel weinig over geschreven is. Dus ging ik zelf op onderzoek, en dat resulteerde in dit boek. Het Schützkommando bestond uit gewapende O.T.’ers die de arbeiders beschermden. Ze zorgden ook voor de bewaking van krijgsgevangenen en van Joodse gevangenen. En daar is het geregeld misgelopen en zijn er nogal wat verregaande misdrijven gepleegd waarbij ook Belgische leden van Organisation Todt en het Schützkommando betrokken waren.”

Zijn er verhalen die je na je pensionering wilt vertellen?
“De druk zal weg zijn, maar ik blijf wel onderzoek voeren. De laatste jaren ben ik nogal bezig met familiekunde en ons familiearchief. Er zijn trouwens wel wat familieverhalen over het verzet en de terreur van de V-bommen. Daar zat ik als klein kind natuurlijk naar te luisteren. Dat zal wel meegespeeld hebben in mijn belangstelling voor de Tweede Wereldoorlog. Al in de lagere school wist ik dat ik geschiedenis zou gaan studeren.”

Cover van boek 'Organisation Todt'

Cookies opgeslagen