Direct naar inhoud

Hoog contrast

Hoog contrast

Drie graven van Noord-Afrikaanse soldaten op het Schoonselhof

Als je over de militaire ereperken op de begraafplaats Schoonselhof wandelt, tref je op het perk van de Franse gesneuvelden drie bijzondere graven aan. Ze worden gekenmerkt door een aparte stèle, die aan Oosterse of islamitische architectuur doet denken. Het is de laatste rustplaats van drie Noord-Afrikaanse soldaten die tijdens de Tweede Wereldoorlog in het Franse leger dienden. Over deze gesneuvelden is weinig geweten. We proberen wel het verhaal te reconstrueren van de tienduizenden Maghrebijnen die onder Franse vlag hebben gevochten, ook in België. 

In de Eerste Wereldoorlog zette Frankrijk Noord-Afrikaanse soldaten in tijdens gevechten in Europa, ook in België.

Frankrijk veroverde Algerije tussen 1830 en 1875. In die veroveringsoorlogen verloren naar schatting 825.000 inwoners het leven, naast ook tienduizenden Fransen. Dat belette de veroveraars niet om al vroeg een korps van lokale huurlingen op te richten, de zoeaven. Korte tijd later werd deze eenheid ‘geëuropeaniseerd’ en in 1841 werden regimenten van tirailleurs (infanterie) en spahi’s (cavalerie) opgericht waarvoor de Algerijnse mannen zich konden engageren. Frankrijk breidde zijn macht in Noord-Afrika uit, door in 1881 een protectoraat te vestigen in Tunesië en in 1912 in Marokko. In Algerije werd in 1912 de dienstplicht ingevoerd, ondanks sterke tegenstand van de lokale bevolking. Het vrijwillige engagement, zoals dat in Marokko het geval was, had steeds de voorkeur van de generale staf van het leger. Tegenover dienstplicht dienden immers vaak politieke rechten te staan, iets wat leger en koloniaal bestuur niet wensten. Bovendien werden de gezinnen met dienstplichtigen gedurende de diensttijd beroofd van waardevolle arbeidskrachten en dus broodnodige inkomsten, wat ongenoegen in de kolonies aanwakkerde.

Het beeld van de koloniale troepen
Tijdens de Eerste Wereldoorlog leverde Frans Noord-Afrika ongeveer 270.000 islamitische strijders, naast 155.000 soldaten van Europese afkomst. Nogal wat tirailleurs en spahi’s namen toen deel aan de gevechten in Vlaanderen. De inzet van koloniale troepen zorgde voor gemengde reacties, zowel bij het leger als in de publieke opinie. Aanvankelijk zag men de Afrikaanse soldaten, zowel uit Noord-Afrika als uit Afrika ten zuiden van de Sahara, als primitieve, oorlogszuchtige en bloeddorstige wezens. Dat maakte hen volgens sommige militairen buitengewoon geschikt om aan het front als ‘schoktroepen’ op te treden. Het beeld van de Afrikaanse ‘wilden’ drong ook door tot de burgerbevolking, wat niet bijdroeg tot hun populariteit. Later probeerde men deze idee bij te stellen: de koloniale soldaten zouden in feite ‘grote kinderen’ zijn, die afhankelijk waren van hun blanke oversten. Zij moesten vaderlijk doch streng worden behandeld.

Document met als titel 'Burgerlijke Stand der stad Antwerpen'

Ben Lahoussine Bouchaib is een van de gesneuvelde Noord-Afrikaanse soldaten die rusten op het Schoonselhof (document uit het begrafenisdossier van de Franse militairen, Stadsarchief Antwerpen / FelixArchief)

Na de oorlog bleef het negatieve beeld van de koloniale troepen overheersen. Discriminatie en xenofobie bleven ook in het interbellum eerder regel dan uitzondering. Daarnaast werd er steeds meer belang gehecht aan ‘wetenschappelijk’ gefundeerd racisme. Sommige ‘mensenrassen’ zouden minderwaardig zijn, door hun vermeende achterlijkheid en hun opvallende, niet-westerse fysieke kenmerken. De aanwezigheid van koloniale troepen in Europa, was in de ogen van rechtse extremisten, ook in Vlaanderen, zelfs gevaarlijk voor het voortbestaan van het blanke continent. 

De rekrutering van Marokkaanse vrijwilligers
Frankrijk raakte op 3 september 1939 betrokken bij een nieuwe oorlog in Europa. De mobilisatie van de troepen bleef niet beperkt tot het moederland: ook de kolonies en protectoraten dienden hun duit in het zakje te doen, net als 25 jaar eerder bij aanvang van de Eerste Wereldoorlog. In Tunesië en Algerije gold de dienstplicht, maar dat was niet het geval in Marokko. Daar kwam dan ook een campagne op gang om vrijwilligers aan te trekken. Het succes daarvan was niet evident, door de herinnering aan de Rif-opstand tussen 1920 en 1926, tegen het Spaanse en het Franse protectoraat over het gebied. Daarbij vielen aan Marokkaanse zijde zeker 10.000 doden, onder meer door het gebruik van mosterdgas..

De Marokkaanse maatschappij van de eerste helft van de twintigste eeuw was nog sterk ruraal. Dat betekende dat alle potentiële arbeidskrachten van lente tot herfst op het land aan de slag waren. Als de oogst goed was, dan konden jonge mannen een engagement in het leger aangaan. Was er sprake van kleine opbrengsten en van misoogsten, dan moesten die arbeidskrachten elders op zoek gaan naar emplooi om de karige inkomsten aan te vullen. En dan zou men hun handen zeker nodig hebben om tegen het volgende seizoen een nieuwe en hopelijk betere oogst voor te bereiden. De economische crisis van de jaren 1930 en een demografische explosie op het Marokkaanse platteland duwden vele gezinnen echter dieper in de armoede, zodat dienstneming in het leger plots een aantrekkelijk alternatief bood om een inkomen te verwerven. Ronselaars kregen grof geld toegestopt door de legeroverheid en al gauw werden aanwervingsquota gehanteerd waaraan de verschillende Imazighenstammen en -regio’s dienden te beantwoorden. 

De Franse overheid maakte overigens ook propaganda over de oorlog en over de tegenstander, met affiches en radio-uitzendingen. Het ging volgens de Fransen om de strijd van rechtvaardigheid tegen barbarij. Voorts trad het koloniale bestuur uit voorzorg op tegen nationalistische bewegingen. Hun leiders werden gevangen gezet en hun pers aan banden gelegd. De Fransen waren niet voor niets bezorgd: de Duitse propagandadiensten stortten grote hoeveelheden anti-Franse propaganda uit over heel Noord-Afrika, in de hoop om zo relletjes en opstanden te veroorzaken. Sultan Mohammed V, de Marokkaanse notabelen en de godsdienstige leiders schaarden zich evenwel grotendeels achter Frankrijk, dat ook zijn aureool van overwinnaar in de Eerste Wereldoorlog inzette. Het volk volgde, er zich van bewust dat verzet weinig zin had.

Drie grafmonumenten

Op het Schoonselhof bevinden de graven van de drie Noord-Afrikaanse soldaten zich op het Franse ereperk. (foto: www.schoonselhof.be, vzw Grafzerkje)

Noord-Afrikaanse soldaten in België tijdens de Tweede Wereldoorlog
Toen het Duitse leger op 10 mei 1940 België, Frankrijk, Luxemburg en Nederland binnenviel, rukten Franse en Britse troepen het westen van België binnen om de Belgische en Nederlandse soldaten bij te staan. Eenheden van het Franse 7de leger, onder leiding van generaal Henri-Honoré Giraud, snelden naar het noorden, richting Antwerpen, Zeeland en Noord-Brabant. Het Franse 1ste leger nam gevechtsposities in tussen Waver en Namen. Bij deze elitetroepen hoorden ook ongeveer 4500 Marokkaanse soldaten. Het ging om de 1ste Marokkaanse divisie, die 61% Marokkaanse vrijwilligers en 39% Franse officiers, onderofficiers en vrijwilligers telde. Daarnaast vocht er ook de 2de Noord-Afrikaanse infanteriedivisie, bestaande uit het 13de en 22ste regiment Algerijnse tirailleurs en het 11de regiment zoeaven. 

De Nederlandse troepen waren totaal niet in staat tot een adequate en gecoördineerde afweer tegen de Duitsers. Van enige samenwerking met de Fransen was geen sprake. De Franse opperbevelhebber Maurice Gamelin besloot daarop zijn troepen niet verder te laten oprukken dan Breda. De belangrijkste taak werd de verdediging van Zeeland en Antwerpen. Maar nog voor een week verstreken was, hadden de Franse troepen zich al teruggetrokken in de richting van West-Vlaanderen en Frankrijk.

De grote confrontatie speelde zich af in de buurt van Gembloers, tussen 14 en 16 mei. Daar onthaalde het antitankgeschut van de 1ste Marokkaanse divisie de Duitsers op stevig tegenvuur. Ze slaagden er in om de Duitse opmars tegen te houden. De Marokkaanse soldaten, veelal uit de buurt van Kenitra, Meknès en Marrakech, leverden twee dagen lang zware strijd, tot en met lijf-aan-lijfgevechten. Tenslotte moesten ze zich terugtrekken. Op de Franse militaire begraafplaats in Chastre liggen de stoffelijke resten van 218 gesneuvelde Marokkaanse soldaten. Maar sommige militaire historici schatten dat ongeveer 400 Marokkanen in de streek het leven lieten tijdens de gevechten met de Duitsers.

De ondergang van het Franse leger in mei en juni 1940, kostte het leven aan 85.310 Franse soldaten, van wie 5400 Noord-Afrikanen. Van de 1.800.000 Franse krijgsgevangenen zouden 90.000 uit Noord-Afrika afkomstig zijn geweest: 60.000 Algerijnen, 18.000 Marokkanen en 12.000 Tunesiërs.

De drie graven op Schoonselhof
Op het Franse militaire ereperk van de begraafplaats Schoonselhof bevinden zich de graven van drie Noord-Afrikaanse soldaten die tijdens de eerste maanden van de oorlog zijn omgekomen. Het gaat om twee militairen uit Marokko en een uit Algerije. 

Boudjema Djefal Mahamed (dit Ahmed) werd geboren in Algerije, op 17 mei 1915 in Tiberkanine, in het noorden van het land. Hij was in 1940 soldaat 2de klasse en kanonnier bij het 40ste Noord-Afrikaanse artillerieregiment. Deze eenheid nam deel aan de gevechten in Vlaanderen en staakte de strijd op 31 mei 1940 in Haubourdin (département du Nord). Sommige onderdelen van het regiment konden ontkomen naar Duinkerke, waar ze de inscheping van verslagen militairen naar Engeland beschermden. De overgebleven soldaten werden krijgsgevangen genomen op het strand op 4 juni 1940. Mahamed was niet gehuwd en hij woonde in Chlef, halfweg tussen Algiers en Oran. Hij overleed als krijgsgevangene in Mechelen op 7 juli 1940.

Mohamed ben Mohamed zou geboren zijn in Casablanca, Marokko in januari 1913. Hij hoorde bij de jaarklasse van 1934 en in 1940 maakte hij deel uit van het 2de regiment van Marokkaanse tirailleurs. Dat regiment was betrokken bij de gevechten bij Gembloers op 15 mei 1940 en bij de verdediging van Rijsel aan het einde van die maand. Mohamed overleed in krijgsgevangenschap in Mechelen op 13 juli 1940. Het blijkt inderdaad dat in 1940 in Mechelen Franse en Britse krijgsgevangen soldaten verbleven. Zij waren er ondergebracht in de Kazerne Luitenant-Generaal Baron Michel. Zieke en gewonde krijgsgevangenen werden “hier te Mechelen in het gasthuis […] verpleegd en zulks gedeeltelijk door Fransche en Engelsche dokters”, aldus een politieofficier aan de burgemeester van Mechelen, einde 1940.

Ben Lahoussine Bouchaib werd volgens zijn overlijdensakte geboren in 1900 in Marrakech, Marokko. Daar zou hij ook gewoond hebben bij het uitbreken van de oorlog. Maar volgens een naoorlogse brief zou hij geboren zijn in 1901 in Ouled (si) Saïd, ten zuiden van Casablanca. Het Franse ministerie van Landsverdediging noemt Douar si Saïd als geboorteplaats, met 15 maart 1905 als geboortedatum. Hij was de zoon van Lahoussine ben Maati en van Zineli bent Larbi. Bouchaib maakte deel uit van het 2de regiment van Marokkaanse tirailleurs. Ook hij zou dus in Gembloers hebben gevochten. Hij maakte de terugtocht naar Noord-Frankrijk mee en raakte zwaargewond nabij Denain op 20 mei 1940. Daar werd hij krijgsgevangen genomen en overgebracht naar Antwerpen. Hij overleed er op 13 augustus 1940 in het Adolf Stappaertsgasthuis aan de gevolgen van kogelwonden in de borst en van longtering.

Boudjema Djefal Mahamed en Mohamed ben Mohamed werden aanvankelijk begraven in Mechelen. In 1950 werden ze overgebracht naar de Franse militaire begraafplaats op Schoonselhof. Ben Lahoussine Bouchaib werd daar reeds kort na zijn overlijden begraven. De band van deze drie soldaten met Antwerpen is dus eerder beperkt. Geen van de drie was betrokken bij krijgsverrichtingen in of om Antwerpen.

Cookies opgeslagen