Direct naar inhoud
Jodenvervolging in Antwerpen Jodenvervolging in Antwerpen
Vele Antwerpse joden overleven de oorlog niet
Politie en stadsbestuur werken actief mee aan razzia's
01 /06 Jodenvervolging in Antwerpen

Eén van de donkerste bladzijden uit onze geschiedenis

Het naziregime dat begin jaren dertig aan de macht komt in Duitsland, is openlijk antisemitisch en neemt heel wat anti-Joodse maatregelen. Wanneer het Duitse leger België bezet in de lente van 1940, kondigt de bezetter een 5-tal maanden later zijn eerste anti-Joodse verordeningen af. Registratie, identificatie, verboden en stigmatiserende maatregelen zoals het dragen van de Davidster volgen elkaar in snel tempo op. Na de economische uitsluiting volgt uiteindelijk ook de deportatie. Vele duizenden Antwerpse Joden overleven de oorlog niet. De bezetter brengt hen naar het concentratiekamp en vernietigingscentrum Auschwitz-Birkenau. De Antwerpse politie en het stadsbestuur spelen hierin een bijzondere rol. Zij verlenen meermaals actieve medewerking aan de grootschalige razzia’s in de zomer en herfst van 1942. Joden die wel aan de gruwel ontsnappen, leven in een klimaat van constante angst. Sommigen duiken tijdig onder, anderen slagen erin het land te verlaten en nog anderen sluiten zich aan bij het verzet. Terwijl de arrestaties en verklikkingen onverbiddelijk verdergaan, organiseren Joden en verzetslui zich. Soms kunnen ze rekenen op hulp en solidariteit van buren, vrienden of collega’s.

Jodenvervolging in Antwerpen

De Antwerpse Joden voor de oorlog

Al sinds jaar en dag woont in Antwerpen een Joodse gemeenschap. Vanaf het einde van de 19e eeuw neemt hun aantal sterk toe door migratie vanuit Oost-Europa. In de tussenoorlogse jaren stijgt dit aantal nog. Vooral op het einde van de jaren ‘30 is Antwerpen de stad van aankomst voor heel wat Joden die wegvluchten voor het antisemitisme van Nazi-Duitsland. Historici schatten dat er aan de vooravond van de oorlog zo’n 35.500 Joden in de stad verblijven. De meesten onder hen zijn vreemdelingen die niet over de Belgische nationaliteit beschikken.

Dé Joodse gemeenschap in Antwerpen bestaat niet. Niet alleen zijn er heel wat verschillende nationaliteiten en talen, ook de manier waarop Joden hun cultuur en religie beleven, verschilt. Er is wel een onderlinge verbondenheid. Een bewijs hiervan is de ‘Centrale’, een dienst voor sociale hulp die de Joden zelf inrichten. Aan de vooravond van de oorlog telt Antwerpen 3 erkende religieuze gemeenten en heel wat synagogen en gebedshuizen. Vooral de orthodoxe strekking binnen het Jodendom staat sterk in het Antwerpse.

Concentratie

Zoals dat vandaag ook nog zichtbaar is, wonen Joden ook tijdens WOII vrij geconcentreerd in Antwerpen. Zo staan de straten rond het Centraal Station ook dan gekend als ‘Joodse buurt’ (6de en 7de wijk). Buiten Antwerpen stad woont het merendeel van de Joden in Berchem en Borgerhout. Ook professioneel is er sprake van een zekere concentratie. Vaak zijn Joden tewerkgesteld in de diamant-, textiel- of meubelsector.

Oprukkend antisemitisme

Net als elders in Europa rukt in de jaren ‘30 ook in België het antisemitisme op. Het gaat niet zo ver als in Nazi-Duitsland waar in november 1938 de ‘Kristallnacht’ plaatsvindt met grootschalig publiek geweld tegen Joden en Joodse plaatsen. In België vindt het antisemitisme vooral weerklank in bepaalde katholieke, Belgisch-nationalistische en Vlaams-nationalistische middens. Zo beslist de Vlaamse Conferentie der Balie van Antwerpen (een groepering van Vlaams voelende Antwerpse advocaten) al in 1938-1939 om de Joodse advocaten uit de vereniging uit te sluiten. Nog twee jaar later zal de Antwerpse Raad van Orde van Advocaten 17 Joodse collega’s en stagiairs ontslagen.

Het anti-Joodse discours verspreidt zich ook via diverse tijdschriften en politieke groeperingen. De bekendste is de organisatie ‘Volksverwering’, onder leiding van de advocaat René Lambrichts.

Foto links: Antisemitische treinticketjes worden voor de oorlog bij Joden in de bus gestopt - © Collectie Stadsarchief Antwerpen
Foto midden: Joden reageren met een eigen treinticketje - © Collectie Stadsarchief Antwerpen

Foto rechts: Volksverwering is de aanstoker van deze actie - © Collectie Stadsarchief Antwerpen

Anti-Joodse verordeningen en maatregelen

In oktober 1940 kondigt het Duitse bezettingsbestuur de eerste anti-Joodse maatregelen aan. De 18e en laatste anti-Joodse verordening dateert van eind september 1942. Tijdens die twee jaar zijn meerdere fases te onderscheiden. Eerst komt de registratie. Daarna volgt de uitsluiting uit het economische en publieke leven. Later worden Joden geïsoleerd, geteld en zelfs ‘gekentekend’. Tot slot is er de deportatie.

Een beknopt overzicht van de anti-Joodse voorschriften en enkele andere maatregelen bewijst de systematiek waarmee de bezetter te werk gaat:

  • 23 oktober 1940
    Er komt een verbod op ritueel slachten
  • 28 oktober 1940
    • Joden die het land verlieten tijdens de invasie mogen niet meer naar België terugkeren.
    • Er wordt bepaald wie Joods is.
    • Alle Joden boven de 15 jaar worden geregistreerd in het Jodenregister.
    • Joodse ondernemingen  worden verplicht aangifte te doen van hun vermogen.
    • Joodse horecazaken worden verplicht om het opschrift ‘Joodsche onderneming’ aan te brengen.
    • Joodse medewerkers worden ontslagen uit openbare ambten (onderwijs, balie, journalisten, enz.).
  • December 1940 – februari 1941:
    3000 Antwerpse Joden en andere vreemdelingen worden naar Limburg gebracht. Daar werken zij verplicht voor de bezetter.
  • 31 mei 1941
    Joden zijn vanaf  nu verplicht hun onroerende goederen, rekeningen en andere waardepapieren aan te geven bij Duitse diensten. Joodse ondernemingen komen onder Duits beheer. Alle Joodse ondernemingen worden verplicht plakkaten aan hun uitstalramen aan te brengen : ‘Jüdisches Unternehmen’
  • 29 juli 1941
    Gemeenten zijn verplicht om op de identiteitskaarten ‘Jood/Juif’ te vermelden.
  • 29 augustus 1941
    Het is voor Joden verboden om tussen 20u en 07u ’s morgens de woning te verlaten. Verhuizen kan enkel nog naar Brussel, Antwerpen, Luik of Charleroi.
  • 25 november 1941
    Op bevel van de bezetter ziet de Vereniging der Joden in België het licht. Alle Joodse inwoners moeten zich verplicht aansluiten. Het dagelijks bestuur komt in handen van Joodse notabelen. De werking staat onder toezicht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en de bezetter. Het is één manier voor de bezetter om te weten te komen waar de Joden zich bevinden in Antwerpen. Dit maakt het makkelijker om hen later op te pakken. 
  • 01 december 1941
    Joodse kinderen worden uitgesloten van de niet-Joodse scholen. De Vereniging der Joden in België wordt belast met het organiseren van hun onderwijs.
  • 17 januari 1942
    Joden mogen het Belgische grondgebied niet verlaten zonder Duitse toestemming.
  • 11 maart 1942
    De verplichte tewerkstelling wordt aan iedereen in België opgelegd, maar tegen de Joden neemt de bezetter bijzondere maatregelen met het oog op hun deportatie naar dwangarbeidskampen.
  • Maart-april 1942
    Op bevel van de Sipo-SD wordt een derde Jodenregistratie  uitgevoerd door de JVB ter voorbereiding van de deportaties.
  • Maart – april 1942
    Iedereen moet verplicht ruwe en geslepen diamanten aangeven bij de ‘Diamantcontrole’ van de bezetter. Bedrijven die daarbij zijn aangesloten moeten verplicht hun activiteiten stop zetten.
  • 22 april 1942
    Het vermogen van in België wonende Joden met Duitse nationaliteit wordt vervallen verklaard.
  • 08 mei 1942
    De rechten van Joden op de arbeidsmarkt worden volledig teruggeschroefd. De bezetter bereidt de deportatie van duizenden Joden uit België naar Noord-Frankrijk, vooral voor de constructie van de Atlantische Muur.
  • 27 mei 1942
    Joden boven 6 jaar zijn verplicht om een Jodenster te dragen.
  • 01 juni 1942
    Het is voor Joden verboden om medische functies uit te oefenen.
  • 01 juni 1942
    Tijdens de avondklok moeten de Joden zich op hun wettelijk adres bevinden
  • Lente 1942
    Niet-Belgische Joden moeten verplicht voor de bezetter aan het werk. Op vier maanden tijd stelt de bezetter zo’n 1500 Antwerpse Joden te werk in Noord-Frankrijk.
  • Vanaf 25 juli 1942
    Joden worden opgevorderd voor de ‘Arbeitseinsatz’ en krijgen bericht dat ze zich in de Dossinkazerne moeten gaan aanmelden.
  • 22 juli 1942
    Razzia op Joodse pendelaars in station Antwerpen-centraal. Begin van de razzia’s in Antwerpen.

Voor de uitvoering van sommige van deze verordeningen rekent de bezetter op de actieve medewerking van de gemeentebesturen. Veel problemen levert dat niet op in Antwerpen. Historisch onderzoek toont aan dat het stadsbestuur, de administratie en de lokale politiediensten zich inschikkelijk en meegaand opstellen. Wanneer de bezetter dat verwacht, helpen zij. Dit gebeurt zowel bij het opstellen van het Jodenregister, het aanbrengen van ‘Jood’ op de identiteitskaarten, het naar het station begeleiden van Joden uitgewezen uit Limburg of gedeporteerd voor de tewerkstelling in Noord-Frankrijk, het uitdelen van oproepingsbrieven voor de verplichte tewerkstelling als bij de razzia’s.

Opname in het Jodenregister

Opname in het Jodenregister - © Collectie Stadsarchief Antwerpen

Geweld in de publieke ruimte

In de zomer van 1942 is de leefwereld van de Joden heel beperkt in Antwerpen. Voor sommigen is dit het signaal om het land te verlaten. Anderen hebben daar niet de middelen voor. Zij wachten af en hopen op beterschap. Intussen wordt de Joodse bevolking ook steeds vaker geconfronteerd met fysiek geweld.

De Antwerpse politieverslagen bewaren talrijke voorbeelden van Joden die te maken krijgen met pesterijen, diefstal, inbraak, bedreigingen en vaak ook in de klappen delen. Het bekendste voorbeeld van openlijk geweld tegen Joodse inwoners vindt plaats op Paasmaandag 1941 in de ‘Joodse’ zesde wijk, de buurt in en rond het Centraal Station. Na de voorstelling van de propagandafilm Der ewige Jude, georganiseerd door de radicaal anti-Joodse groepering Volksverwering, ontspoort de massa. Er zijn zeker 200 Antwerpenaren en Duitsers aanwezig. Zij vernielen het huis van een rabbijn en stichten brand in de synagogen in de Van Den Nestlei en Oostenstraat. Ze slaan er de boel kort en klein en verhinderen het bluswerk door de brandweermannen. In het Jodenkwartier sneuvelen heel wat ramen.

Geweld tegen de Joden op Paasmaandag 1941. © Collectie SegeSoma/Rijksarchief

Geweld tegen de Joden op Paasmaandag 1941. © Collectie SegeSoma/Rijksarchief

De Razzia's in de zomer van 1942

Tijdens de Tweede Wereldoorlog vertrekken vanuit België in totaal 28 transporten. Bijna allemaal hebben ze het vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau als bestemming. Er zijn in totaal zo’n 25.273 joden en 353 zigeuners aan boord. Slechts 1.251 van hen overleven. Plaats van vertrek is de Dossinkazerne in Mechelen. 17 van deze 28 transporten gebeuren in de korte periode tussen 4 augustus en 31 oktober 1942. Tegen dan zijn al om en bij de 10.000 Joden weggevoerd. Zij zijn meestal het slachtoffer van de razzia’s die plaats vinden. Er wordt geschat dat slechts 55% van de in België geregistreerde Joden de oorlog overleeft.

Ook in Antwerpen vinden er meerdere razzia’s plaats in de zomer 1942. Afhankelijk van hoe geteld wordt, onderscheiden historici er vijf. Meer dan elders in België stelt de bestuurlijke elite (burgemeester Delwaide, hoofdcommissaris De Potter en procureur Edouard Baers) zich meegaand op en verleent de lokale politie medewerking.

Vijf grootschalige razzia’s

De eerste razzia’s vinden plaats op 22 juli 1942. Duitse agenten van de Sicherheitspolizei nemen in die dagen een paar honderd Joden mee die in het Centraal Station aankomen uit Brussel. Een gelijkaardige actie vindt plaats in de nabijgelegen Pelikaanstraat.

De tweede en derde razzia vinden plaats op 13, 14 en 15 augustus. In de nacht van 13 en 14 augustus nemen Duitse agenten zo’n 206 Joden mee, 53 daarvan zijn kinderen. Het zijn voornamelijk Joden uit Oost-Europa. Een nacht later (15-16/08) vindt opnieuw een grootschalige Jodenrazzia plaats. Voor het eerst werkt nu ook de Antwerpse lokale politie openlijk mee. Antwerpse agenten zetten mee de straten af en begeleiden de Joden naar de vrachtwagens. Duitse agenten vallen huizen binnen en sleuren inwoners op brutale wijze naar buiten. De acties duren de hele nacht. Naar schatting worden een 845-tal joden meegenomen. Burgemeester Delwaide en procureur Baers hullen zich in stilzwijgen. Zij reageren niet op de gebeurtenissen. Nochtans brengen de politieverslagen hen formeel op de hoogte.

De vierde razzia vindt plaats in de nacht van 28 op 29 augustus. Normaal zou die de dag ervoor, op de 27ste plaats vinden, maar de Duitsers blazen die op het laatste moment af. Blijkbaar brachten sommige agenten Joden op de hoogte. Als straf voor de sabotage de dag voordien, krijgt de Antwerpse politie nu een meer actieve rol toebedeeld. Ze moet zelf 1.000 Joden oppakken. Hoofdcommissaris De Potter zegt zonder verpinken dat de agenten de opdracht moeten uitvoeren. Hier en daar weigeren agenten medewerking, anderen knijpen nu en dan een oogje dicht. Waar nodig komt er versterking van andere eenheden. Elke politiewijk moet 250 Joden arresteren. De 943 opgepakte Joden, worden samengebracht in scholen in de Grote Hondstraat (Zurenborg) en de Vinçottestraat (Borgerhout) en in Cinema Plaza (Gallifortlei, Deurne). In de voormiddag vertrekken de vrachtwagens naar de Dossinkazerne. Opnieuw reageren de Antwerpse lokale verantwoordelijken niet.

De vijfde grote razzia vindt plaats op 11 en 12 september. Die dag rekent de bezetter niet op de medewerking van het Antwerpse politiekorps. Toch zijn er wel enkele agenten die hun Duitse collega’s bijstaan tijdens deze acties. Zij verzamelen de Joden op verschillende plaatsen in de stad. Hier en daar worden ze van de straat geplukt. Deze razzia verloopt duidelijk minder systematisch en meer lukraak. Toch is hij niet minder efficiënt. De bezetter neemt die dag zo’n  679 Joden mee.

Foto links: Binnenplein in de Dossinkazerne in de zomer van 1942
Foto rechts: Lijst met gearresteerde joden in Deurne

Wat na 1942?

In de dagen, weken en maanden na de razzia’s gaan de acties verder. Vanaf september 1942 rekent de bezetter hiervoor wel niet meer op de actieve medewerking van de Antwerpse lokale politie. De bezetter past zijn tactiek aan en rekent enkel nog op de Duitse politiediensten en zijn handlangers.

Om de vele ondergedoken Joden te vinden, vallen Duitse agenten met hulp van Antwerpse Jodenjagers binnen op plaatsen waar ravitailleringskaarten (kaarten die elke Antwerpenaar nodig heeft om voedsel te krijgen)  bedeeld worden. Zo zijn er enkele acties tussen 22 en 25 september 1942 in de Stadsfeestzaal op de Meir, op het gemeentehuis in Borgerhout en in het atheneum van Deurne. De ravitailleringskaarten helpen hen om de verblijfsplaatsen van ondergedoken Joden te achterhalen. 760 Joden belanden zo in de Dossinkazerne. Na deze actie eind 1942 zijn er al ongeveer 4.000 Antwerpse Joden weggevoerd.

Nog later, vanaf begin 1943, kiest de bezetter vooral voor kleinschalige zoekacties en arrestaties. Hiervoor kunnen ze nog altijd rekenen op de trouwe medewerking van een groep lokale Antwerpse collaborateurs, informanten en verklikkers. Die laatsten vormen een belangrijk wapen in de zoektocht naar ondergedoken Joden. In de periode na de grote razzia’s van 1942 worden nog eens enkele duizenden Joden gearresteerd. 

Diefstal, afpersing en leegstaande huizen

Opgepakte Joden moeten hun bezittingen achterlaten. Ze mogen in sommige gevallen enkel wat persoonlijke spullen, kleren en proviand meenemen. Hetzelfde geldt voor Joden die onderduiken of vluchten. Hoewel zij soms wel iets meer voorbereidingstijd krijgen, kunnen ook zij niet veel anders doen. Huizen, appartementen en kamers van Joden komen leeg te staan. Sommige huisbazen, verhuurders, buren of ‘huisbewaarders’ stelen hun spullen. De Jodenjagers en Duitse politieagenten verrijken zich op die manier. En ook andere Antwerpenaren nemen stukken van inboedels mee of trekken zelf in leegstaande panden in. Al snel worden die inbraken een ware plaag.

Actie Iltis

Op 3 en 4 september 1943 organiseren de Duitse politiediensten een laatste grote razzia in Antwerpen. Deze kadert in de zogenaamde ‘Aktion Iltis’. In tegenstelling tot de eerdere Jodenrazzia’s viseren de Duitse agenten en hun medewerkers nu Belgische Joden. In Groot-Antwerpen worden nog eens 432 Joden opgepakt. Na deze actie verklaart de bezetter Antwerpen officieel ‘Judenrein’.

Paspoort van Sara Rebecca Diamant Akselrode

De Antwerpse Sara Rebecca Diamant Akselrode is één van de slachtoffers van Actie Iltis - © Kazerne Dossin

De Antwerpse situatie in context

Historici die onderzoek verrichten naar de Jodenvervolging in België, spreken over de ‘Antwerpse specificiteit’. Dat betekent dat de Joodse bevolking in Antwerpen – om uiteenlopende redenen – meer risico liep dan elders in België (Brussel, Luik,…) om gedeporteerd te worden. Hoeveel procent van de Antwerpse Joden de bezetter exact deporteert naar het concentratiekamp en vernietigingscentrum Auschwitz-Birkenau, is heel moeilijk te becijferen en nog volop in onderzoek. Historicus Lieven Saerens, die diepgravend onderzoek voerde naar de Antwerpse specificiteit, spreekt van 65 tot 68%. Lopend onderzoek uitgevoerd door Kazerne Dossin, bevestigt dat het Antwerpse deportatiecijfer hoger ligt dan het landelijke gemiddelde van 45%. Wel tonen hun voorlopige onderzoeksresultaten aan dat het cijfer evenwel niet zo hoog zal blijken als 65 tot 68%. Berekeningen van Saerens suggereren dat ongeveer 10.000  Joden uit het Antwerpse de oorlog niet overleven.

 

REACTIES OP DE VERVOLGING

De Duitse vervolgingspolitiek doet heel wat Joden kiezen voor de vlucht of onderduik. Ze komen zo in een situatie terecht waarin ze voor voedsel, onderdak en overleven volledig afhankelijk zijn van anderen. Naar schatting kunnen 15.000 in België verblijvende Joden na de zomer van 1942 nog onderduiken of vluchten.

De hulp van omstaanders in de zomer van 1942 is beperkt en bestaat voornamelijk uit ongestructureerde en meestal individuele initiatieven van buren, kennissen of vrienden. Vaak gebeurt dit uit naastenliefde of solidariteit, nog vaker komt ze er pas nadat Joden erom vroegen. Enkele Antwerpenaren bieden onderdak en helpen bij het onderduiken en de vlucht of de opvang van kinderen. Nog anderen proberen financieel of met voedsel een steentje bij te dragen.

Gezien de snelheid van de acties in de zomer van 1942 komt de hulp vanuit de Belgische samenleving voor heel wat Joden te laat. Het merendeel van de acties vindt plaats na de razzia’s en op het moment dat het anti-Duitse klimaat toeneemt als gevolg van de invoering van de verplichte tewerkstelling door de bezetter (6 oktober 1942) en enkele belangrijke Duitse militaire nederlagen later dat jaar en begin 1943.

Stilaan raakt het stijgende aantal hulpacties ingebed in de bestaande verzetsbewegingen. Het Onafhankelijkheidsfront (OF) toont zich het actiefst. Die beweging rekruteert in linkse en antifascistische middens en werkt het vaakst samen met Joodse verzetslui. Het OF en andere onderduiknetwerken bezorgen valse papieren aan Joden en proberen om Joodse kinderen uit Antwerpen weg te smokkelen naar meer afgelegen streken in de Kempen, Vlaams-Brabant en de Ardennen. Ook in sommige katholieke en andere religieuze middens proberen mensen Joodse kinderen te verbergen in hun gebouwen.  

Joods verzet

De Antwerpse Joden ondergaan de situatie niet passief. Zij proberen zich te organiseren, maar dat verloopt erg moeizaam. Heel wat Joden zijn immers al weggevoerd. Het zijn vooral de Joden uit communistische middens die het eerst in actie komen. Dit leidt tot de oprichting van de verzetsgroepering ‘het Joodsch Verdedigingscomiteit’. Het comité bestaat al sinds de zomer van 1942 en wordt later een deel van het Onafhankelijkheidsfront. Ze verzamelt Joden van uiteenlopende strekkingen en slaagt erin om over heel België duizenden Joden te redden. Maar het is vooral in Brussel en Charleroi dat het comité sterk staat. In Antwerpen duurt het tot eind 1943 voordat een eerste volwaardige afdeling het licht ziet. Ze regelen hulp, onderduikadressen, voedsel en geld. Protagonisten van deze Joodse verzetskern in het Antwerpse zijn Abraham Manaster, Josef Sterngold en Leopold Flam.

Portretfoto van de Joodse verzetsman Josef Sterngold in 1943

De Joodse verzetsman Josef Sterngold in 1943 - © Stadsarchief Antwerpen

De terugkeer na de oorlog

De Duitse vervolgingspolitiek treft de Antwerpse Joden heel zwaar. De meerderheid overleeft de oorlog niet. Wie de kampen wel overleeft, keert gebroken terug, met heel wat fysieke en mentale gevolgen. Het menselijke leed is groot. Iedereen heeft familieleden, vrienden of kennissen die in Auschwitz-Birkenau zijn overleden en er heerst heel wat onduidelijkheid over nabestaanden. In de eerste dagen, weken en maanden na de bevrijding is informatie schaars.

De Joodse gemeenschap probeert zich te organiseren via het ‘Comité ter Verdediging van de Joodse Belangen’. Dat comité verzamelt informatie, regelt opvang en biedt hulp aan teruggekeerden. Maar de praktische problemen zijn groot. Huizen, appartementen en andere eigendommen zijn vaak ingenomen door andere huurders of inwoners. Volledige inboedels zijn verdwenen. Geld en andere zaken van waarde zijn onvindbaar. Het comité bepleit daarom gunstmaatregelen bij de overheid.

Ondanks dit alles komt het Joodse leven in Antwerpen traag maar gestaag terug op gang. Ook heel wat ‘nieuwe’ Joden kiezen ervoor om zich in de naoorlogse jaren in de stad te komen vestigen.

Foto van de Nederlandse Jood Emile Vos. Op zijn arm staat een tatoeage van de kampen

De Nederlandse Jood Emile Vos wordt opgepakt in de nacht van 28 augustus 1942. Hij overleeft de kampen

Cookies opgeslagen