Direct naar inhoud
Dagelijks leven en overleven onder de bezetting Dagelijks leven en overleven onder de bezetting
04 /06 Dagelijks leven en overleven onder de bezetting

Stad in de storm

De oorlog en bezetting zetten het dagelijkse leven van de Antwerpenaar op z’n kop en beperken zijn vrijheid. De censuur stopt de persvrijheid en de avondklok legt het nachtleven lam. Lichten worden op tijd gedoofd en overal houden Duitse militairen de wacht. Toch is de impact niet voor iedereen even groot. Honger, de zo vervloekte zwarte markt, werkloosheid en de verplichte tewerkstellingen hebben meer effect op de ene dan op de andere. En voor wie familie of vrienden in gevangenschap heeft, is de onzekerheid ondraaglijk. Voor heel wat mensen lijkt het dagelijkse ‘leven’ steeds meer op ‘overleven’.

Dagelijks leven en overleven onder de bezetting (voor ondertiteling: klik op settings in de video)

Een beperkte vrijheid

Veel Antwerpenaren herinneren het zich nog goed van tijdens WOI: een militaire bezetting legt de vrijheid aan banden. Een strenge avondklok zorgt voor lege straten, plaatsen met Duitse soldaten zijn verboden terrein en er gelden heel wat extra controles.

Affiche met tekst

De bewegingsvrijheid is sterk ingeperkt - © Collectie Stadsarchief Antwerpen

Vrijgelaten gevangenen voor de ingang van de gevangenis

Gevangenen voert de bezetter vaak naar de gevangenis in de Begijnenstraat. Zij worden op 4 september vrijgelaten

Weinig burgerrechten

Het dictatoriale Duitse bezettingsregime neemt het niet zo nauw met de burgerrechten. Wie de Duitse regels niet naleeft, heeft geen garantie op een eerlijk proces. Naarmate de oorlog vordert, stijgt het aantal arrestaties van ondergedoken verzetslui, Joden en werkweigeraars. Wie gepakt wordt, riskeert foltering of deportatie. Heel wat gezinnen leven in de ondraagelijke onzekerheid over geliefden of naasten die zijn meegenomen.

Geen persvrijheid en onbetrouwbare informatie

Van persvrijheid is geen sprake meer. Wat nog verschijnt, komt er pas na goedkeuring door de Duitse censuur- en propagandadiensten. 

De ‘Gazet van Antwerpen’ verschijnt tijdens de oorlogsjaren niet. De krant ‘Volk en Staat’ van de collaborerende politieke partij Vlaams Nationaal Verbond (VNV) en de lokale Antwerpse sensatiekrant ‘De Dag’ doen dat wel. Zij nemen propaganda over en verdedigen Duitse of Duitsgezinde organisaties. Uiteindelijk roepen de kranten zelfs op om aan het Oostfront te gaan strijden. 

Betrouwbare informatie wordt heel schaars. Het is bijna altijd de stem van de bezetter die spreekt. Soms ook letterlijk, zoals in het sterk gecensureerde filmjournaal dat te zien is voor cinemavoorstellingen. Veel mensen proberen daarom geallieerde boodschappen te beluisteren. Dat lukt met ‘Radio België’ dat via de BBC vanuit Groot-Brittannië uitzendt. Dit is wel niet zonder gevaar, want de bezetter verbiedt dit vanaf begin januari 1942. Wie toch betrapt of verklikt wordt, riskeert straffen. 

VNV-krant Volk en Staat, 19 juni 1942

VNV-krant Volk en Staat, 19 juni 1942

Honger en schaarste

Als klein en dun bevolkt land is België voor voedsel heel afhankelijk van de import. Eens ons land bezet is en de import stokt, treedt er al snel schaarste op. Vooral in de steden is dit van bij het begin heel voelbaar. De meesten herinneren zich de hongersnood van 1914-1918 nog zo goed dat ze meteen bang zijn voor wat komt. In mei 1940 komt het aan winkels al tot relletjes en opstootjes. Mensen willen voedselvoorraden inslaan. Sommige handelaars rekenen zich rijk en maken gebruik van de angst. De prijzen swingen al van bij het begin de pan uit.

Op de bon
De Belgische bevolking hangt voor haar levensmiddelen heel erg af van de Duitse bezetter. Die eist heel wat voedsel op en laat slechts een beperkt deel voor de bevolking. Basisproducten komen enkel nog in rantsoenen. Het brood- en aardappelrantsoen ligt lange tijd op 500 gram per dag per persoon. Later wordt dat 225 gram. Vlees schommelt dan weer lang tussen 35 en 20 gram per dag. De kwaliteit van het voedsel daalt en is ellendig. Nu en dan bedeelt men noodgedwongen kleinere rantsoenen.

De rantsoenering brengt heel wat nieuwe regeltjes en administratie met zich mee. Voor veel producten zijn speciale zegeltjes en kaarten nodig. Die bepalen hoeveel recht iemand heeft op iets. Het is zelden genoeg en vaak moet je er lang voor aanschuiven.   

Prijsstijgingen
Tijdens de oorlog stijgen de prijzen heel sterk. Volgens historici is het leven in 1944 maar liefst acht keer duurder dan in 1939. In 1941 zijn de prijzen al verdubbeld. Voor veel Antwerpenaren zijn honger en tekorten een dagelijkse realiteit. Tijdens de ongewoon strenge winter van 1941-1942 zijn ook de kolen schaars. Zelfs verwarmen en koken wordt dan moeilijk.

De zwarte markt
Het is een economische wetmatigheid: schaarste leidt tot hogere prijzen. Met als resultaat dat voedsel in de illegaliteit terecht komt. De hoeveelheden die op de zwarte markt belanden, zijn enorm. Gegeerde producten worden onder de toog voor astronomische bedragen aan de hoogste bieder verkocht. Dat zijn vaak de beter gegoeden, nog vaker zijn het Duitsers. Ook voedselfraude is terug in opmars. Malafide handelaars zetten een handeltje op in nagemaakte of aangelengde producten.

Overlevingsstrategieën
De Antwerpenaar probeert zich aan te passen aan zijn nieuwe situatie. Velen trekken naar het platteland om  hun karige rantsoenen aan te vullen. Liefst bij familie, en anders betalen ze er een prijs voor. Wie niet over voldoende middelen beschikt, neemt al eens iets uit de velden. Eigenaars van tuintjes of konijntjes proberen zelf wat te kweken. Op verschillende plaatsen in de stad is het ‘Werk van den Akker’ druk in de weer met het aanleggen van volkstuintjes. En de meeste mensen passen hun dieet aan. Zo leert een buitengewoon goede vangst de Antwerpenaar in het najaar van 1942 haring eten. 

De georganiseerde voedselhulp
Het stadsbestuur en de officiële instanties proberen de bevolking te helpen, maar de bezetter laat maar weinig speelruimte met zijn strakke regelgeving. De officiële voedselpolitiek faalt. Heel wat voedsel komt niet terecht en ‘verdwijnt’ op de zwarte markt. De bekendste hulp- en voedselorganisatie is Winterhulp. Zij voorzien volkssoep voor de meest noodlijdenden.

Onvrede
De meeste Antwerpenaren zijn in zekere mate bereid om het in oorlogstijd met wat minder te doen. Maar de honger en schaarste treffen niet iedereen even hard. Wanneer mensen zien dat anderen geen of veel minder honger leiden of zelfs profiteren van de situatie om zich te verrijken, groeit er onvrede. En die woede richt zich vooral tegen de bezetter. Heel wat Antwerpenaren eisen een betere naleving van de regels en ook een strenger optreden tegen zwarthandelaars. Nu en dan komt het tot een volksprotest, zoals onder meer op 21 mei 1941.

Foto links: Ook voor aardappelen komt er een rantsoen
Foto rechts: Het Werk van den akker in Antwerpen

Arbeid

De oorlog leidt vrijwel onmiddellijk tot heel wat werkloosheid. Historici spreken van een half miljoen Belgische werklozen in augustus 1940. Dat is heel wat op een bevolkingsaantal van zo’n 8 miljoen mensen. Dat aantal neemt al een jaar later sterk af. 

Stijgende werkloosheid
De havenactiviteiten vallen in de eerste weken van de oorlog sterk terug. Maar ook elders hebben bedrijven het moeilijk om het vooroorlogse productiepeil aan te houden. Sommige kunnen niet anders dan de deuren sluiten. De bedrijven die er wel in slagen om verder te produceren, hangen vooral af van de bezetter. De grootste spelers situeren zich in het havengebied en zijn vaak actief in de metaalindustrie: Ford Motor Compay, General Motors Continental, Bell Telephone, Cockerill, Beliard, Mercantile, Lecluyse,…enz.

In dienst van de Duitse oorlogseconomie
De meeste werklozen worden ingeschakeld in de Duitse oorlogseconomie. De bezettingsmacht roept hen op om vrijwillig in Duitsland aan de slag te gaan. Daar is meer dan werk genoeg. De Werbestelle, de Duitse tewerkstellingsdienst, belooft tijdens wervingscampagnes goede werkomstandigheden en dito verloning. Hoe vrijwillig iemand aan het werk gaat in Duitsland, verschilt. Voor velen lijkt het een noodzakelijke keuze om toch maar iets van inkomen te hebben. Het exacte aantal Antwerpenaren dat hiervoor kiest, is niet duidelijk. Onderzoek gaat uit van ongeveer 224.000 Belgische mannen die voor oktober 1942, wanneer de verplichte tewerkstelling wordt ingevoerd, naar Duitsland trekken.

Uitzonderlijk is het verhaal van de in Merksem gevestigde fabriek: ‘E. Reitz Uniformwerke’. Het Duitse textielbedrijf dat militaire kleding maakt, beslist zijn productie over te brengen van Duitsland naar België en opent in januari 1941 zijn deuren. Heel wat Antwerpse vrouwen en meisjes gaan er aan de slag. In de zomer van ’43 werken er zo’n 5.000 mensen.

De verplichte tewerkstelling: een kantelmoment
6 oktober 1942: een mijlpaal in de geschiedenis van de bezetting. Die dag kondigt het bezettingsbestuur in België de verplichte tewerkstelling in Duitsland af voor alle mannen tussen 18 en 50 en vrouwen tussen 21 en 35. Later wordt besloten vrouwen vrij te stellen. De beslissing komt een halfjaar na de verordening die Belgen verplicht om werk te aanvaarden in België of Noord-Frankrijk. Heel wat Antwerpenaren komen in de Duitse industrie terecht, vaak in vreselijke werkomstandigheden. Zo’n 190.000 Belgen ontsnappen hier niet aan.

Onderduiken
Met de horrorverhalen van de verplichte tewerkstelling tijdens WOI nog in het achterhoofd, zorgt deze verordening voor een schokgolf door het bezette land. Veel jonge mannen besluiten onder te duiken, op het platteland of in meer afgelegen en bosrijke gebieden. Intussen stelt Duits personeel lijsten met namen op die ze vinden bij de Belgische gemeentelijke administraties. Het Antwerpse stadsbestuur en de bevoegde stadsdiensten weigeren elke medewerking. De Duitse diensten eisen arbeiders op van bedrijven die van weinig of geen nut zijn voor het Derde Rijk. Nog later schrijft de bezetter alle mannen van 21 jaar en ouder aan om zich te komen aanmelden.

De afkeer van de verplichte tewerkstelling is groot, maar wie kiest voor de onderduik gaat een onzekere en eenzame toekomst tegemoet. Het is moeilijk om volledig van de radar te verdwijnen. Werkweigeraars hangen volledig af van de hulp van anderen, vaak verzetsorganisaties. Her en der vinden razzia’s en controles plaats. Wie dan in handen van de bezetter valt, riskeert een verplichte job bij de dienst Organisation Todt. Daar moeten ze uitputtende militaire bouwwerken uitvoeren voor het Duitse leger zoals de verdedigingswerken aan Atlantikwall.

De verplichte arbeid in Duitsland is hard. Het eten is slecht, het verblijf vreselijk. En er is het constante risico op bombardementen van de geallieerden die de Duitse oorlogseconomie proberen treffen.

Foto links: Het keukenpersoneel van Bell Telephone Manufacturing Company kan wel aanblijven tijdens de oorlog
Foto rechts: Kranten onder censuur als ‘De Dag’ schrijven vergoelijkend over de invoering van de verplichte tewerkstelling

Ontspanning

Al in de zomer van 1940 komt het openbare leven terug op gang. Voor de militaire bezetter die ‘rust en orde’ nastreeft is dat belangrijk. De Antwerpse scholen openen terug hun deuren. En in de mate van het mogelijk gaat het leven ‘gewoon’ verder. In realiteit is de impact van de oorlog overal voelbaar, zeker vanaf 1942. Toch is er ruimte voor cultuur en ontspanning. Het is een manier om even weg te zijn van de oorlog en de beslommeringen.

Op vraag van de bezetter
In Antwerpen komt het culturele leven al vanaf de herfst van 1940 opnieuw op gang. Daar kijkt de bezetter nauw op toe. Om zijn prestige op te krikken, hecht de bezetter veel belang aan de Rubensfeesten in november 1940 en de uitreiking van de Rembrandtprijs kort daarna. Later organiseert de bezetter ook Duitse toneel- en muziekvoorstellingen in de de Scheldestad. 

Voortspelen of niet? De Antwerpse theaterwereld twijfelt. De directeur van de Koninklijke Nederlandse Schouwburg in Antwerpen, Joris Diels, kiest voor de eerste optie. Diels wordt wel al in 1940 gedwongen om zijn eigen vrouw, de Joodse ster-actrice Ida Wasserman, de toegang tot het podium te ontzeggen.

Een avondje cinema?
Laagdrempeliger en goedkoper voor de meeste Antwerpenaren zijn de vele cinema’s. Die blijven ook tijdens de oorlog heel wat volk ontvangen. In het Antwerpse zijn er zo’n 56 open. Maar het is de bezetter die de programmatie mee bepaalt. Antwerpse, Duitse, Franse of Italiaanse films wisselen elkaar af. Amerikaanse en Engelse films mogen niet meer vertoond worden. Cinema’s in Duitse handen krijgen de premières. Cinema Pathé, op de hoek van de De Keyserlei en de Appelmansstraat, is daar een voorbeeld van. Tijdens de oorlog verandert de naam naar cinema Eldorado. Cinema de Roxy op de Meir is als ‘soldatenkino’ enkel voorbehouden voor Duitse soldaten.

Foto links: De KNS speelt Het Spel van Dr. Faust
Foto rechts: Joris Diels tijdens een voordracht in Duitsland

Cookies opgeslagen