Direct naar inhoud

Hoog contrast

“Welke wereld willen we, dat is de vraag”

Het jaar 1942 is cruciaal in de Jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog. Vele duizenden Antwerpse Joden worden dan gedeporteerd. Naar aanleiding van de Internationale Dag tegen Racisme en Discriminatie op 21 maart blikt Herman Van Goethem, historicus en rector van de Universiteit Antwerpen, terug op die periode. Want uit de gebeurtenissen van toen vallen ook vandaag en morgen lessen te trekken.

Wat kunnen we vandaag leren uit de opkomst van het nazisme? En uit de aantrekkingskracht die het had bij een deel van de Belgische bevolking?

“Als mens heb je de mogelijkheid om nee te zeggen. Zelfs tijdens de Tweede Wereldoorlog kon dat, je werd echt niet meteen gefusilleerd als je weigerde met de nazi’s mee te werken. En vandaag heb je nog veel meer mogelijkheden om extremisme een halt toe te roepen. Het gaat erom dat je verantwoordelijkheid opneemt in je functie. Als je zwijgt, kunnen extreme groepen in bepaalde omstandigheden prominent naar voren komen. Ook kleine groepen kunnen veel schade toebrengen. De mobilisering voor extremisme gaat de laatste twintig jaar veel dieper dan in die kortstondige oorlogsperiode. Dat kunnen we alleen tegengaan door het centrum te versterken, al klinkt dat zeer ouderwets.”

“Ik zie vandaag bij jongeren veel engagement en belangstelling voor de samenleving, net als in de jaren 1960 en 1970. Dat merk ik aan de studentenorganisaties en aan de grote participatie aan politieke debatten. Dat geeft mij zuurstof. Ik zie natuurlijk de meest geëngageerden jongeren, maar ik denk dat het toch een globale trend is. Dat is goed, want het zijn de jongeren die de toekomst maken. Al zullen ze mijn generatie misschien niet zo dankbaar zijn.”
 

De Dossinkazerne in Mechelen: vanaf juli 1942 werden hier 25.274 joden en 354 Roma en Sinti verzameld en weggevoerd richting Auschwitz-Birkenau en andere kampen.

De Dossinkazerne in Mechelen: vanaf juli 1942 werden hier 25.274 joden en 354 Roma en Sinti verzameld en weggevoerd richting Auschwitz-Birkenau en andere kampen. Foto: collectie Kazerne Dossin – Mechelen

Met "1942. Het jaar van de stilte" schreef u een boek over de Jodenvervolging in Antwerpen. U vatte het op als een dagboek. Is dat een manier om de geschiedenis meer dan 75 jaar na datum levend te houden bij een breed publiek?

“Het gaat niet enkel om levend houden, dat doet elk historisch boek. Ik gebruik in mijn boek bewust de tegenwoordige tijd, hoewel dat in een historisch werk eigenlijk niet kan. Ik flirt dan ook met de grens tussen wetenschappelijk werk en literatuur. Maar ik doe dat om te benadrukken dat je nooit weet wat er de volgende dag zal gebeuren. Als we willen begrijpen hoe het kwam dat Joden in Antwerpen zich zo massaal lieten oppakken, moeten we dat altijd voor ogen houden. Wij kennen de afloop van de Jodenvervolging, maar toen wist men veel minder. Vanaf september 1944 stonden Joodse overlevenden aan het Centraal station en de Ooststatie te wachten op hun familieleden. Ze dachten echt dat die zouden terugkeren.” 

"Onder de Antwerpse bevolking sloot slechts een kleine minderheid bij de collaboratie aan. Maar in absolute aantallen was dat best veel volk. Dat werkte heel destabiliserend.” Foto: UAntwerpen

"Onder de Antwerpse bevolking sloot slechts een kleine minderheid bij de collaboratie aan. Maar in absolute aantallen was dat best veel volk. Dat werkte heel destabiliserend.” Foto: UAntwerpen

Uw boek schetst hoe de Jodenvervolging in Antwerpen geen zaak van de Duitse bezetter alleen was. Delen van de politie, de politiek en de bevolking keken op z’n minst de andere kant op of waren actief betrokken. Hoe groot was die betrokkenheid?

“Dat is een interessante vraag. Er zijn geen aanwijzingen dat er destijds in het Antwerpse schepencollege vragen zijn gesteld over de Jodenrazzia's (drie massale arrestatieacties van Joden die de Antwerpse politie in 1942 mee uitvoerde – red.). Zo’n opstelling liet politici achteraf toe te zeggen dat ze daar niets mee te maken hadden. Maar de schepen van onderwijs speelde een grote rol bij de segregatie in de scholen.” (vanaf 1 december 1941 mochten schoolplichtige leerlingen niet langer les volgen op niet-Joodse scholen – red.).

“De belangrijkste persoon was burgemeester Delwaide die bevoegd was voor de politie. Naar buiten toe toonde hij zich neutraal, maar achter de gevel van het stadhuis stak hij over naar de Nieuwe Orde en bereidde hij nieuwe systemen voor.” (de Nieuwe Orde was de stroming die de parlementaire democratie wilde vervangen door een autoritair politiek systeem – red.).

“Tijdens de bezetting kwam er een reorganisatie van de politie en een nieuwe gemilitariseerde politieopleiding. De nieuwe rekruten gingen helemaal mee in het idee van de Nieuwe Orde. Maar niet alle politieagenten deden dat. Ik stelde vast dat 85 % van de agenten niet toetrad tot de Arbeidsorde, een nationaalsocialistische vakbond. Dat is wel belangrijk, want het betekent dat de grote meerderheid niet achter die nazi-organisatie stond. Maar ook een kleine groep kan een heel grote impact hebben. Onder de Antwerpse bevolking sloot slechts een kleine minderheid bij de collaboratie aan. Maar in absolute aantallen was dat best veel volk. Dat werkte heel destabiliserend.”

"Een gezin zonder huisvader was nog meer verzwakt. Bij de razzia's waren moeders met kleine kinderen zonder man een gemakkelijke prooi.”

"Een gezin zonder huisvader was nog meer verzwakt. Bij de razzia's waren moeders met kleine kinderen zonder man een gemakkelijke prooi.” Foto: collectie Kazerne Dossin – Mechelen

Kan u een beeld geven van de Joodse bevolking in Antwerpen en haar leefomstandigheden in die periode?

“De meeste Joden in Antwerpen waren paupers, veelal vluchtelingen met weinig bezittingen. Het beeld van rijke Joden berust op een vooroordeel. Vooral in Antwerpen-stad leefden vele Joden in armoede. In Deurne en in de Berchemse wijk Groenenhoek woonde eerder Joodse middenklasse. Tijdens de oorlog verloren velen hun job en groeide de armoede nog verder aan.”

“Joden moesten 's avonds en 's nachts binnenblijven, dat was een van de anti-Joodse maatregelen. Het was stil in hun huizen: enkel rijkere mensen hadden een radio. Er was weinig te eten en de huizen waren vaak slecht verwarmd. De arme bevolking leed ook aan ziektes zoals schurft. Die armoedige toestanden tastten de Joodse weerbaarheid aan. Om te vluchten had je geld nodig, maar dat was er vaak niet. Veel Joden zaten dan ook in de val. Het was heel gemakkelijk om hen op te pakken. Vanaf maart 1942 werden de vaders opgeroepen voor verplichte tewerkstelling in Noord-Frankrijk. Een gezin zonder huisvader was nog meer verzwakt. Bij de razzia's waren moeders met kleine kinderen zonder man een gemakkelijke prooi.”

U zei ooit dat de pessimisten soms een uitweg zochten door zelf uit het leven te stappen voordat ze konden worden opgepakt en gedeporteerd.

“Ze beseften niet dat dat misschien nog de beste keuze was. Want dat was minder erg dan de manier waarop ze zouden worden omgebracht. Er waren ook jongemannen tussen 16 en 18 jaar die wel nog veerkracht hadden en van thuis wilden vluchten. Zo was er een vader die zijn twee zonen als vermist opgaf. Die twee jongens konden ontkomen, de ouders werden opgepakt.”

"We hebben nog een grote weg af te leggen in de herdenking van de Tweede Wereldoorlog. Het verleden is nog altijd niet helemaal verwerkt." Foto: UAntwerpen

"We hebben nog een grote weg af te leggen in de herdenking van de Tweede Wereldoorlog. Het verleden is nog altijd niet helemaal verwerkt." Foto: UAntwerpen

Nog zowat een generatie en de Tweede Wereldoorlog ligt een eeuw achter ons. Kan de ‘Nooit meer oorlog’-gedachte standhouden na zo’n lange tijd?

“Door de media zal de Tweede Wereldoorlog wel langer in de herinnering blijven, ook omdat er filmbeelden zijn. Nu, ‘Nooit meer oorlog’ vind ik zeer naïef. In sommige omstandigheden is oorlog nodig om erger te voorkomen, al is het uit zelfverdediging. Ik vind dat we dat ook moeten zeggen.”

“Volgens mij staan we met de herdenking van de Tweede Wereldoorlog – en ik ga wat overdrijven – bijna nergens. We hebben nog een grote weg af te leggen. Dat verleden is nog altijd niet helemaal verwerkt. België is lange tijd verdeeld gebleven over deze oorlog, terwijl we niet verdeeld zijn over de Eerste Wereldoorlog. Vlaanderen en Wallonië reageerden op een verschillende manier. En in een stad als Antwerpen zien grote groepen de bevrijding als het begin van grote miserie door de repressie. Als dat het beeld is, dan heb je natuurlijk nog een weg af te leggen. De kern van de herdenking is de vraag welke wereld we willen. Ik pleit voor een benadering van de Tweede Wereldoorlog waarin vrijheden centraal staan en mensenrechten het fundament van de samenleving vormen.” 

Herman Van Goethem, 1942. Het jaar van de stilte, Uitgeverij Polis, Antwerpen.

Cookies opgeslagen