Direct naar inhoud

Hoog contrast

Voor altijd verdwenen: de vermisten

De zomer van 1945

Antwerpen, eind augustus 1945. Vier maanden zijn er gepasseerd sinds het einde van de oorlog. Maar de naweeën laten zich nog steeds sterk voelen. Het meest in het oog springend is de materiële schade, veroorzaakt tijdens de bevrijdingsgevechten of door V-bommen en andere bombardementen. Minder zichtbaar is het menselijke leed dat de oorlog in Antwerpen heeft veroorzaakt.

Zo vormen de zomermaanden van 1945 niet noodzakelijk een periode van opluchting voor familieleden en vrienden van gedeporteerden en andere gevangenen. Zij wachten vooral bang af, hopend op goed nieuws, soms tegen beter weten in. Eind augustus, begin september 1945, wanneer de repatriëring grotendeels achter de rug is, vervaagt die hoop bij de families die niemand zien terugkeren. Bij hen dringt het besef van het verlies nu onherroepelijk door. De oorlogsslachtoffers die niet terugkeren en waar niets meer van wordt vernomen zijn vanaf dan ‘vermisten’.

De zoektocht naar vermisten: een internationale kwestie

Na de repatriëring van de overlevenden wacht de Belgische staat een volgende moeilijke taak: het opsporen en identificeren van vermisten en nagaan of zij overleden zijn. Hiervoor richt de regering in de winter van 1945, naast het bestaande Belgische repatriëringscommissariaat, een ‘Bureau National de Recherche’ op. 

Het bureau kent een moeilijke start. Pas vanaf 1947-1948 verloopt de werking ervan steeds vlotter. Dat de opsporingsdienst in het begin heel wat moeilijkheden kent, is niet alleen te wijten aan een gebrek aan ervaring, expertise en middelen.

De naoorlogse internationale context van de Koude Oorlog bemoeilijkt dit alles nog. Duitsland bestaat op dat moment uit vier zones, onder leiding van Frankrijk, Groot-Brittannië, de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie. Elk van deze landen bouwt er aan zijn eigen opsporingsdienst, met een gebrekkige uitwisseling van gegevens tot gevolg. Pas op het eind van de jaren veertig komt er meer internationale samenwerking tot stand. Niet geheel verwonderlijk gebeurt dat vooral onder Amerikaanse vlag en enkel met het Westen. De Koude Oorlog verhindert contacten met de diensten die in de invloedssfeer van de Sovjet-Unie aan het werk zijn. Het eindresultaat van deze Westerse samenwerking, de ‘Arolsen Archives’, bestaat tot op vandaag en vormt een essentieel instrument voor historisch onderzoek naar slachtoffers van het naziregime.

Toegangskaart voor een plechtigheid

Na identificatie van de overblijfselen ter plaatse volgt de repatriëring met een plechtigheid bij aankomst in België - © Archief Rode Kruis Antwerpen

Plechtigheid - "Lijst der lijken"

Repatriëring door Rode Kruis van overblijfselen van Antwerpse politiek gevangenen - © Archief Rode Kruis Antwerpen

Verzamelen van informatie

Op 20 september 1945 houdt minister van Oorlogsgetroffenen Adrien van den Branden de Reeth een toespraak op de radio. Hij spreekt er over de ‘beklemmende onzekerheid omtrent het lot van velen, die in hun haardstede nog niet zijn teruggekeerd’. Om de vermisten op te sporen (en indien mogelijk te repatriëren) organiseert hij in de herfst van 1945 een ‘nationale telling van afwezigen’. Die moet resulteren in een centraal steekkaartenregister van vermisten. Zich richtend tot de ouders en vrienden van de vermisten, vraagt hij hen om vragenlijsten in te vullen.

Steekkaart "Voor het opzoeken der vermisten"

De Gazet van Antwerpen van 29 september 1945 publiceert de vragenlijst van het ministerie van Oorlogsgetroffenen - © Digitaal Archief Gazet van Antwerpen

Binnen de week komen er 25.000 fiches ingevuld toe in Brussel. Een jaar later organiseert diezelfde dienst een reizende tentoonstelling door België met de ingestuurde foto’s van vermisten, in de hoop om zo alsnog nieuwe informatie in te winnen.   

Eind 1945 al beschikt het ministerie van Oorlogsgetroffenen over gegevens van meer dan 30.000 vermisten. Het gaat om 20.000 Belgen en 10.200 vreemdelingen die voor de oorlog in België verbleven. In de jaren die volgen, stijgt dit aantal vermisten nog verder. Het is opvallend dat er eind 1945 ‘slechts’ 10.200 niet-Belgen als vermist zijn opgegeven. Er zijn namelijk meer dan 30.000 uit België afkomstige Joden (die maar zelden de Belgische nationaliteit hebben) vermoord. In veel gevallen is er van volledige families geen enkel spoor meer.

In dat geval blijft er niemand over om familieleden als vermist op te geven.

De nabestaanden van Joodse slachtoffers leven vaak in het ongewisse of wonen zelf ver weg in het buitenland. Het is pas vanaf 1948 dat het aantal als vermist opgegeven Joden sterk toeneemt. Organisaties als ‘Aide aux Israélites Victimes de la Guerre’ staan de weinige nabestaanden bij in het opsporen van vermisten en identificeren van overledenen. Eind 1950 staat de teller van het aantal vermiste niet-Belgen op 21.614.

Afwezig, vermist en overleden

Het vaststellen van een overlijden is niet alleen van groot emotioneel belang voor de nabestaanden, het heeft ook heel wat ‘praktische’ implicaties. Als zo’n vaststelling niet mogelijk blijkt - bijvoorbeeld omdat de vermiste niet te vinden is - kunnen de bevoegde stadsdiensten geen overlijdensakte opstellen. Voor de nabestaanden en rechthebbenden is het zonder zo’n akte onbegonnen werk om zaken te regelen als voogdijschap, ontbinding van huwelijk, erfeniskwesties, hulp aan oorlogsslachtoffers en allerlei andere financiële en administratieve kwesties.

De Belgische wetgever beseft al snel dat het bestaande wettelijke kader ontoereikend is en besluit in te grijpen met de wet van 20 augustus 1948 op de ‘gerechtelijke verklaring van overlijden’. Voortaan kunnen ook de minister van Oorlogsslachtoffers en de rechtbanken van eerste aanleg het overlijden van een persoon, tijdens en als gevolg van de oorlog omgekomen, officieel vaststellen. De een doet dat met een ‘ministerieel besluit van vermoedelijk overlijden’, de andere vonnist ‘gerechtelijke verklaringen van overlijden’.  

Cover van 'Rechtskundig weekblad'

De Joodse advocaat en kampoverlevende Marcel Marinower staat veel Joodse families bij. Hij publiceert begin 1950 over het belang van de wet van 20 augustus 1948. Zelf overlijdt hij in 1962 alsnog aan de gevolgen van het zware kampregime. - © Rechtskundig Weekblad (Intersentia)

Ingevuld document 'Oorlogsgebeurtenissen' voor Mala Zimetbaum

Ministerieel besluit en gerechtelijk vonnis m.b.t. overlijden van Mala Zimetbaum - © Stadsarchief Antwerpen

De wetgeving geldt voor alle personen die vermist zijn geraakt door oorlogsomstandigheden. Het betreft dus niet alleen slachtoffers van de vervolgingspolitiek van de nazi-bezetter.

Ook de nabestaanden van vrijwillige arbeiders en incivieken, zoals Oostfrontstrijders die aldaar het leven lieten en van wie niets meer werd vernomen, kunnen zich daarop beroepen. Alvorens de minister of rechter het (vermoedelijk) overlijden vaststelt, vindt er een grondig onderzoek plaats. De Belgische staat beseft namelijk zeer goed dat ook incivieken, tewerkgestelden en sommige gedeporteerden na bepaalde gebeurtenissen niet naar België willen terugkomen. 

De Antwerpse specificiteit

Op 27 januari 1956 doet de Antwerpse rechtbank van eerste aanleg uitspraak in het dossier over de Poolse familie Reiss. Deze 7-koppige Joodse familie is in de herfst van 1938 uit Berlijn weggetrokken, op de vlucht voor het nazisme. Hun tocht brengt hen naar Antwerpen. Jacob Reiss en Sara Gitla Rosner nemen er samen met hun vijf kinderen Manfred, Adolf, Sonja, Paula en Beila (de oudste is 10 jaar, de jongste pas 2 maanden) intrek in de Draakstraat. Na het eerste oorlogsjaar verhuist de familie naar Borgerhout, op de Plantin en Moretuslei (121). In de nacht van 28 op 29 augustus 1942 slaat het noodlot toe. De bezetter pakt de voltallige familie op tijdens een razzia. Ze zijn niet alleen. Ook elders in Borgerhout laadt de bezetter nog eens 300 Joodse inwoners op. Drie dagen later voert het 7de konvooi de familie Reiss naar Auschwitz. Geen van hen overleeft de deportatie. Het vonnis van die 27ste januari 1956 bekrachtigt dit. Officieel zijn zij allen overleden op 01/09/1942 ‘te vier en twintig uur’ en op een ‘onbekende plaats’. 

Portretfoto van een man

Jacob Reiss - © Stadsarchief Antwerpen

Wanneer de exacte datum niet te achterhalen is, opteert de rechtbank - symbolisch - voor de deportatiedatum.

In totaal vonnist de Antwerpse rechtbank van eerste aanleg in de periode 1945-1965 niet minder dan 11.363 verklaringen van overlijden. Hoewel de cijfers gelden voor het gehele gerechtelijke arrondissement Antwerpen, verbleef het merendeel van deze 11.363 personen voor en tijdens de oorlog in de Antwerpse stedelijke agglomeratie. In Borgerhout alleen al tellen ambtenaren van de burgerlijke stand zo’n 2.609 vermiste inwoners, waaronder de familie Reiss. Dat de cijfers in het Antwerpse zo hoog liggen, is geen toeval. Een groot deel van de vermisten zijn Joden, waarvan er in totaal naar schatting om en bij de 15.000 uit het Antwerpse verdwenen tijdens de oorlog."

Vandaag vormen deze en andere documenten een waardevolle bron voor het namenonderzoek naar de Antwerpse oorlogsslachtoffers. Daardoor zal de familie Reiss, net als vele anderen, een plaats krijgen op het namenmonument.  

Ingevuld document 'Oorlogsgebeurtenissen' voor Jacob Reiss

Ministerieel besluit en gerechtelijk vonnis m.b.t. overlijden van Jacob Reiss - © Stadsarchief Antwerpen

Cookies opgeslagen