Direct naar inhoud

Hoog contrast

Kind tijdens de oorlog

De geschiedschrijving over de Tweede Wereldoorlog lijkt een aaneenschakeling van grote feiten en indrukwekkende gebeurtenissen. Voor de geschiedenis van Antwerpen tijdens de bezettingsjaren is dat niet anders. Wat hierdoor vaak aan de aandacht ontsnapt, is dat de oorlog en bezetting vijf jaar lang diep tot in het dagelijkse leven van de Antwerpenaar doordringen. Al vanaf dag één is de impact van de bezetting duidelijk voelbaar.

Stedelingen krijgen het moeilijk

De vreemde overheerser legt vrijwel onmiddellijk de persoonlijke vrijheid van de Sinjoor aan banden met een avondklok en samenscholingsverbod. Radio luisteren en kranten lezen lukken nog. Maar enkel voor wie bereid is naar de ‘juiste’ zenders te luisteren en gecensureerde kranten te kopen. Misschien wel het meest ingrijpend van allemaal, is de invloed van oorlog op het dagelijkse maal. De prijzen stijgen en men rekent in rantsoenen. Hoe langer de oorlog duurt, hoe moeilijker de stedelingen het krijgen om aan voldoende voedsel te komen.

Aanpassen is de boodschap

Er zit niets anders op dan zich aan te passen aan de oorlogsomstandigheden. En dat doet ook de in 1940 negenjarige Marthe Govaerts. Ze woont met haar ouders en twee zussen in Deurne. Samen met haar familie probeert Marthe ondanks alles het beste te maken van de oorlogsjaren. Vandaag deelt Marthe haar herinneringen aan de oorlog, aan haar jeugd. Haar relaas geeft een boeiende inkijk in het dagelijkse leven tijdens de Tweede Wereldoorlog in Antwerpen door de ogen van een kind.

Familieportret

Een familieportret van de familie Govaerts, genomen tijdens de oorlog. Marthe (derde van rechts) poseert
samen met haar ouders, twee zussen en grootmoeder. (Bron: privécollectie Marthe Govaerts.)

In pyjama op straat

'Het was een stralende meimorgen, die tiende mei 1940. We werden vroeg wakker door het bombardement op het vliegveld van Deurne. Op straat stonden angstige mensen in pyjama. Volgens hen was de oorlog uitgebroken. Er vielen veel doden op het vliegveld, onder meer de papa van een vriendinnetje van mij. Vanaf de eerste dag heerste er bij ons in Deurne heel wat paniek. Mijn vader besloot onze tante uit Borsbeek op te halen. Ze was erg bang. Haar boerderij was getroffen. Ik zie mijn vader nog terugkeren met de triporteur. Op de boerderij hadden ze een paard geslacht. Tante zat te midden van de triporteur, tussen twee grote stukken paardenvlees. Mijn moeder en grootmoeder, die bij ons woonde, sneden het vlees meteen in stukken en steriliseerden het in wijn. Twee jaar lang aten wij ervan. Lekker vond ik het niet, maar er was toch eten.'

Schuilen in loopgraaf

'Veel mensen vluchtten bij het uitbreken van de oorlog. Maar mijn vader, geboren en getogen in de Sint-Rochusstraat, wilde absoluut blijven. In de tuin groef hij meteen een loopgraaf voor acht personen. Iedereen kon er zitten, en voor mij maakte hij een bedje. Was er 's nachts alarm, dan trokken we allemaal snel de tuin in, naar de loopgraaf. We zaten er soms uren te bidden, liedjes te zingen, elkaar te steunen. Na het alarm gingen we opnieuw naar binnen. Zo ging dat acht dagen lang, tot de Duitsers Antwerpen innamen. Vader voerde onze tante met de triporteur terug naar Borsbeek.  Bij ons begon het ‘gewone’ leven opnieuw.'

Levenskracht

'Als kind van negen jaar had ik maar weinig zorgen, in tegenstelling tot mijn ouders. Ze probeerden rond te komen. Veel geld ging naar eten. Mijn vader had honing van zijn bijen, die ruilden we. Moeder maakte kleren. Onze nonkel, een bakker, bakte brood. Die mensen hadden zo'n levenskracht. Dat wij de oorlog goed hebben doorstaan, was te danken aan onze grote tuin en de werkkracht van mijn ouders. We waren goed omringd en hadden een groot sociaal netwerk. Op die manier slaagden we er zelfs in om mijn plechtige communie te vieren. Iets wat toen, gezien de omstandigheden, allesbehalve evident was. 's Ochtends aten we wit brood met spek. 's Middags dekten we de tafel feestelijk met het beste porselein. Met wel dertig personen zaten we aan lange tafels. Voor de gelegenheid hadden we heel goede kippen gekweekt. Eerst was er lekkere soep. Daarna volgden videekes en kip met kroketjes en groenten of fruit. Afsluiten deden we met taarten met crème au beurre.'

Rolluiken dicht voor de Duitsers

'In een vlakbij gelegen school waren Duitse piloten ingekwartierd. Het waren knappe jonge mannen die regelmatig marcheerden door de straat. Brandde het licht bij ons, dan deed mijn moeder meteen de rolluiken dicht, soms zelfs al in de namiddag. Ze wilde niet dat die Duitsers zagen dat er meisjes woonden. Mijn zussen waren in 1940 vijftien en zeventien. Mijn moeder was bang, ze herinnerde zich nog de volkswoede na de Eerste Wereldoorlog. Die Duitse soldaten stelden zich heel vriendelijk op tegen kinderen. Mijn vrienden hadden meer contact met hen, en dat ondanks de zeer anti-Duitse en pro- Engelse gezindheid van sommige vaders. Enkelen luisterde zelfs in het geniep naar de Engelse radio. Op het einde van de oorlog veranderde de houding van die Duitse soldaten wel. We zagen hen erg vermoeid vertrekken.'

Na de bevrijding

Marthe is opgelucht wanneer de geallieerden de stad bevrijden. Maar al snel wordt het duidelijk dat de oorlog nog niet voorbij is wanneer de eerste V-bommen op Antwerpen neerstorten. Ook de familie Govaerts ontsnapt niet aan dit oorlogsgeweld. Op 31 oktober 1944 treft een V1 Marthes huis in de Sint-Rochusstraat. Marthe is thuis samen met haar zus, grootmoeder en een zoontje van vrienden. Alleen zij en haar zus overleven de inslag. De bom vernielt de woning volledig. Marthes ouders laten zich niet ontmoedigen door de ravage van de oorlog en beginnen meteen met de heropbouw van hun huis. Haar vader leeft dan ook volgens het motto ‘Wolken zijn wolken en gaan voorbij.’

Meisje ligt in een bed

Marthe in het Stuivenberggasthuis na de V-1 inslag op haar huis.
(Bron: privé-collectie Marthe Govaerts)

Meer lezen?

Lees meer over Marthes herinneringen aan de V-bommen op deze pagina: https://www.antwerpenherdenkt.be/oorlogsgetuigen/v-bom-op-cinema-rex

Cookies opgeslagen